Vraag van patiënt: ernstige bijwerkingen alendroninezuur, wat zijn de alternatieven?
Patiënt, vrouw 70, wervelkolom: T-score – 3,7, BMD Collum: T-score – 2,1, BMD totale heup: T-score – 1,8. VFA – geen wervelbreuken.
Gestart met 70 mg alendroninezuur, maar kreeg na 3 weken ernstige diarreeklachten.
Welke alternatieven zijn er? Denosumab lijkt een prima oplossing, maar daarmee stoppen is straks wellicht een probleem (vanwege opvolging met bisfosfonaten).
Antwoord
Als alendronaat tot maagdarmklachten leidt, is risedronaat een optie. Dit middel leidt minder vaak tot maagdarmklachten. Maar bij u is de T-score -3,7. Dat is laag, ik zou voor een sterkere remming van de botafbraak kiezen: zoledronaat of denosumab.
Zoledronaat is 3x een infuus, 1x per jaar. Denosumab zijn subcutane injecties, 2x per jaar, gedurende 3 jaar. Een groot verschil is de nabehandeling. Zoledronaat is een bisfosfonaat en hecht zich langdurig aan het bot. De botafbraak blijft langdurig op laag niveau en na 3 jaar behandeling volgt dus een drug holiday.
Bij denosumab ontstaat na stoppen een sterke toename van de botafbraak, met als gevolg een snelle daling van de BMD en een verhoogde kans op wervelbreuken. Dit kan worden tegengegaan door na het stoppen met denosumab, dus 6 maanden na de laatste injectie, te starten met zoledronaat of eventueel alendronaat, of door denosumab te continueren.
Uw behandelend arts zal daarvan op de hoogte zijn, maar er is niets tegen om als patiënt zelf mee te denken en er mede voor te zorgen dat uiterlijk 6 maanden na de laatste denosumab-injectie gestart wordt met een ander middel.
Dit antwoord is afkomstig van
Disclaimer
Dit antwoord op een vraag van een behandelaar of patiënt is geen advies voor een individuele patiënt of zorgverlener, maar een antwoord met een aantal opmerkingen die bedoeld zijn als algemene achtergrondinformatie. Omdat in het gesprek van de behandelaar met de patiënt soms belangrijke aanvullende gegevens naar voren komen, en omdat de individuele mening en voorkeur van zowel de patiënt als de behandelaar ook van belang zijn, kan de gezamenlijke besluitvorming van behandelaar en patiënt afwijken van deze algemene opmerkingen.

